Wat betekent het om mens te zijn wanneer zekerheden wegvallen? In een indringende lezing nam Armand Höppener zijn toehoorders mee in een zoektocht naar de ziel — tastbaar in verantwoordelijkheid, zorg en verbondenheid. Meer…
In een goedgevulde Emmauskerk nam psychiater en ziekenhuisdirecteur Armand Höppener het publiek mee in een lezing over de ziel en de verantwoordelijkheid van mensen. Hoewel de verwachtingen van de aanwezigen uiteenliepen, bleef iedereen aandachtig en betrokken, in een sfeer van gezamenlijke aandacht en zoeken.
Höppener opende met een persoonlijk en aangrijpend moment uit zijn eigen ervaring. In de nacht van 3 op 4 oktober 1988 werd een pasgeboren baby ontvoerd uit het ziekenhuis waar hij werkte. Hij beschreef hoe hij door de stille gangen liep, de verwarde verpleegkundigen zag en de jonge moeder in shock aantrof. Het draaiboek ontbrak; er was alleen kwetsbaarheid en onmacht, en de vraag wat mens-zijn dan vraagt. “Ik koos voor moeder en kind,” benadrukte Höppener, een keuze die als een moreel kompas en rode draad door zijn lezing liep. Dit moment illustreerde voor hem wat de ziel werkelijk betekent: geraakt worden en toch verantwoordelijkheid nemen, juist wanneer houvast ontbreekt.
De presentatie ging verder over hoe de ziel groeit in gemeenschap, rituelen, verhalen en relaties, en hoe een samenleving haar ziel niet kan uitbesteden aan systemen of instellingen. Höppener maakte duidelijk dat mentale ontreddering niet altijd ziekte is, maar vaak een teken van verlies van bedding, richting of gedeelde taal. Zonder levende waarden verzwakt een samenleving, aldus Höppener, maar hoop kan groeien waar mensen verantwoordelijkheid opnieuw opnemen, waar zij elkaar weer weten te vinden en te dragen, ook in kwetsbaarheid.
De lezing wisselde persoonlijke verhalen af met maatschappelijke reflecties, ondersteund door zorgvuldig vormgegeven visuele slides die de kernzinnen, de zogenaamde ‘rode zinnen’, krachtig overbrachten. De aanwezigen voelden zich zichtbaar betrokken en ervoeren zowel de ernst als de hoop in de woorden van Höppener, die nog lang bleven nazinderen.
Hij liet zien dat de ziel geen abstract begrip is, maar zichtbaar wordt in zorg, liefde en medemenselijkheid. Zijn boodschap bleef hangen: een samenleving kan haar ziel niet organiseren, maar zij kan haar wél oefenen, in het kleine en het alledaagse, waar mensen elkaar nabij zijn. Dat besef kreeg een verstilde en hoopvolle vorm in het onderstaande gedicht, dat de lezing als het ware samenvatte.
Er is een stille plek in ieder mens,
waar hoop ontstaat, en groeit een wens.
Waar iets ons raakt, soms onverwacht,
en zachtjes vraagt om nieuwe kracht.
Daar waar geweten richting geeft,
en liefde verantwoordelijkheid leeft.
Waar vrijheid niet alleen bestaat,
maar ook de ander ruimte laat.
De ziel groeit niet waar mensen vluchten,
maar waar zij samen leren dragen, zuchten.
In kleine daden, dag na dag,
in zorg die stil gegeven mag.
Zo wordt de ziel geen groot verhaal,
maar groeit zij waar wij oefenen — allemaal.