Overweging over vitaliteit en spiritualiteit bij Marcus 6, 7-13

Mark reizenAl sinds mijn studententijd houdt mij de vraag bezig wat er toch met onze kerk aan de hand is. Veertig jaar geleden was er al een beginnende crisis in de kerk van Nederland. Sommigen zeiden: God voelt zich niet meer thuis in Europa; Hij is verhuisd naar de Derde Wereld. Dat vond ik een wat vreemde uitspraak. Want we leren toch dat God overal is. “Daar waar liefde is, daar is God” zingen we wel eens. En onder ons is natuurlijk ook liefde. Dus God kan niet ver weg zijn. Maar ik zag ook wel dat de kerk in Azië, Latijns Amerika en vooral in Afrika springlevend is. Daar zat er zit echt muziek in de kerk, letterlijk en figuurlijk. Misschien kent u wel de Missa Luba uit Congo, de Missa Criolla uit Argentinië en de Salvadoraanse Volkmis uit El Salvador; er zit zoveel energie en gelovig enthousiasme in die moderne kerkmuziek van buiten Europa. Die vitaliteit van de kerk elders was de reden dat ik ook missiologie ging studeren, waarbij je over de grenzen van de rijke landen leert kijken. Toch wilde ik daarna in Nederland blijven. Ik was tenslotte een leek. De tijd van de zending van missionarissen was ook al bijna voorbij.

Ik werd pastoraal werker. Dat beroep heb ik nu 34 jaar uitgeoefend, met veel plezier. Maar al in mijn studieperiode, in de jaren ’70, waren er docenten die zeiden dat de kerk in Nederland in een crisis verkeerde. Ik werkte 34 jaar met plezier en vanuit overtuiging, maar de vraag naar de toekomst van de kerk hier bleef me bezighouden. Regelmatig bezocht ik met mijn vrouw en kinderen het klooster in Taizé, Frankrijk. Daar is het christendom heel vitaal; er komen jaarlijks tienduizenden jongeren uit de hele wereld. En er komen ieder jaar nieuwe monniken bij. Dat is dus wel in Europa. Toen ik er in 1978 voor het eerst kwam, als student, was dit klooster een openbaring voor me. Het motto van de communiteit was toen “Strijd en aanbidding”. Strijd voor betere verhoudingen tussen mensen en volkeren. Én aanbidding van God in Christus. Beide dingen heb ik heel mijn leven vastgehouden. Juist in mijn periode in deze parochie heb ik naar mijn gevoel een groei doorgemaakt, op beide terreinen. Met andere mensen diaconale projecten opzetten maakt deze wereld iets beter, menselijker. En de geloofsverlegenheid, waar heel onze kerk in Nederland last van heeft, heb ik in diezelfde periode wat overwonnen. Het gebed, de aanbidding heeft voor mij gewonnen aan diepte. Christus is voor mij echt een reële tegenover en een vriend geworden.

In het evangelie stuurt Jezus zijn leerlingen er twee aan twee op uit om het evangelie te verkondigen. Vroeger stuurden wij paters en zusters en broeders uit naar de missie. Nu komen ze naar ons. De omgekeerde wereld. In Nieuwegein zijn nu bijvoorbeeld twee jonge buitenlandse paters komen wonen bij de Missionaire Leefgroep van pater Herman Wijtten: pater Aaron uit de Filippijnen en pater Albert uit India. Ze leren eerst onze taal. Ze volgen een intensieve cursus Nederlands bij mijn vrouw Ria, net zoals de andere SVD-missionarissen die de afgelopen jaren een start maakten in Nieuwegein. Dat is natuurlijk nodig opdat ze zich hier verstaanbaar te maken. Maar hun geloof is al springlevend. Datzelfde kun je zien bij veel katholieke migranten die van buiten Europa nu onder ons leven. In de(ze) Emmauskerk (van Nieuwegein) bijvoorbeeld heb je vieringen van Irakese, Vietnamese, Surinaamse en Indonesische katholieken, allemaal in hun eigen taal.

Wat hebben deze vitale gemeenschappen wat uit onze Nederlandse geloofsgemeenschappen is weggesijpeld? Daar wordt tegenwoordig meer over geschreven door allerlei mensen. Voor christelijke migranten is het geloof en een levende band met God heel vanzelfsprekend. Hun bestaan is vol onzekerheden geweest, en het geloof in God een vanzelfsprekend houvast. Dat is voor veel Nederlanders anders. Sinds de jaren ’60 is voor velen van ons het geloof meer een levensbeschouwing geworden. Het ging ons ook vaak goed. Leken maar ook priesters gingen het evangelie meer zien als een boek waaruit je waarden en normen kon afleiden. De bijbel wordt dan een boek over hoe je moet leven. Zo werd er tenminste vaak gepreekt. Christen zijn werd goed mens zijn. De geloofsverlegenheid zit niet in de visie op goed en kwaad en in ons gevoel voor rechtvaardigheid. Het zit meer in het religieuze: de levende band met God, de werking van de heilige Geest in ons hart, de ervaring van genade, van Gods liefde. In tijden van voorspoed sta je daar ook niet zo gauw bij stil. Katholieken hebben bovendien veel minder dan protestanten over hun geloof leren praten; al heel lang laten we het praten en het voorbidden vaak over aan de pastores. Zelf kunnen we zo met onze mond vol tanden staan als onze kinderen doorvragen over kerk en geloof.

heilige geestMaar we zijn het geloof daarmee niet kwijtgeraakt. Bij mezelf maar ook bij een heleboel andere mensen zie ik dat ze de nabijheid van Gods liefde juist hebben ervaren toen ze het moeilijk hadden. Nood leert bidden, maar nood maakt je ook gevoeliger voor de verborgen aanwezigheid van God. Je kunt in een crisis belanden waardoor je niet langer om diepere vragen heen kunt. Je kunt troost ontvangen, of juist leiding, of genezing; verrassend, overrompelend. In het evangelie ging het over apostelen die twee aan twee op pad gaan. Het evangelie verkondigen vinden we nu moeilijk. Het is zo moeilijk aan kinderen en kleinkinderen over te dragen. Maar als we samen oplopen, laten we dan eerst naar onszelf kijken en naar ons eigen leven, naar ons vallen en opstaan. Het is mijn ervaring dat je juist op momenten van crisis en onzekerheid Gods verborgen aanwezigheid kunt ontdekken. Je moet het wel willen zien. Voorwaarde is dat je crisis en onzekerheid helemaal bij je toelaat. Dat je het donker in jezelf onder ogen wilt zien. Wie dat durft kan Gods nabijheid, Gods liefde op het spoor komen. Bijbelse verhalen over Gods liefde gaan dan ook anders klinken: niet alleen meer iets van toen en ver weg, of een boek over normen en waarden. Gods Geest is werkzaam in ieder van ons. Dat weer op het spoor komen, dat toelaten, dat vieren, daarover praten: het lijkt me een voorwaarde voor we weer met elkaar verkondigers kunnen worden van de blijde boodschap.

Overweging bij Wijsheid 1, 13-15;2, 23-24 en Marcus 5, 21-43 over leven en dood

Adam en EvaWe hoorden een stukje uit het boek Wijsheid. Je kunt er achteloos overheen lezen. En denken: God wil het leven. Wij ook. Dus God en mens zijn het met elkaar eens. Prima. Als we zo met de tekst omgaan doen we hem toch echt tekort. Laten we eens preciezer kijken wat er staat. Het gaat over de Schepping. God heeft de mens en de gerechtigheid geschapen voor altijd. Adam en Eva en de oorspronkelijke harmonie in de Hof van Eden zijn door God bedoeld voor altijd. Ze zijn onsterfelijk; een afschaduwing van Gods eigen onsterfelijke wezen. Maar er komt iets tussen; beter gezegd: er komt iemand tussen: de duivel die jaloers is en niets moet hebben van al die harmonie. De duivel verleidt Eva tot het overtreden van het verbod om van de boom van goed en kwaad te eten. U kent het verhaal. Eva laat ook Adam eten van die appel. Dat heeft grote gevolgen. Adam en Eva worden verdreven uit het aardse paradijs; ze ontdekken dat ze naakt zijn en voortaan hard moeten werken. En ze verliezen hun onsterfelijkheid. Ze worden verbannen, en toch laat de Schepper ze niet los; ze worden niet verdoemd en aan hun lot overgelaten. Dat laat de verdere geschiedenis van hun nageslacht zien, via Abraham en Mozes tot Jezus aan toe.

Wat moet je met zo’n verhaal? Je moet niet de mensen de kost geven die denken dat dit verhaal een stukje joodse geschiedschrijving is. Misschien denkt u dat ook wel. Zo van: er was nog geen wetenschappelijk historisch onderzoek; dus verzonnen ze maar verhalen over hoe het begonnen zou kunnen zijn. Een soort sprookje, beeldspraak. En op den duur gaat iedereen geloven dat het zo begonnen is.

Zo ging het dus niet. De beide scheppingsverhalen ontstonden betrekkelijk laat, dus pas na het koningschap van David en Salomo. Ze ontstonden tijdens en na de ballingschap, toen de bovenlaan van de joden was weggevoerd naar het vijandelijke Babylon. Het leven van de joden was onzeker; hun cultuur en hun godsdienst werden bedreigd omdat er geen tempel meer was om naar toe te gaan. Probeer je eens voor te stellen dat je zelf helemaal aan de grond zit. Al je houvast van vroeger ben je kwijt. En toch wil je met elkaar verder. Door je hoofd en in je hart spelen allerlei brandende vragen. Hoe kon dit allemaal zo gebeuren? Hoe kan God dit goedkeuren? Waarom is het onrecht zo hardnekkig? Zal het nog ooit allemaal goed komen? Wie zijn wij toch zelf, dat wij dit allemaal moeten meemaken? Waar komen we eigenlijk vandaan, en waar gaan we toch met z’n allen naartoe? Dit kunnen bij een grote crisis onze eigen vragen zijn, maar deze vragen zijn van alle tijden. In Babylon en te midden van de puinhopen van Jeruzalem stelden mensen toen precies dezelfde vragen.
Nou moet u weten dat het volk dat hen overheerste, de Babyloniërs, een eigen verhaal hadden over oorsprong en bestemming van de mensen, een eigen scheppingsmythe. In dat verhaal waren de mensen speelbal van de goden. De koning stond wel dichter bij de godenwereld, en daarom moest je hem gehoorzamen. Maar verder moest niemand zich ook maar iets verbeelden. Dat verhaal leerden de joodse kinderen van hun vijandelijke omgeving. Hun ouders vonden dat verschrikkelijk. Als de kinderen dat verhaal overnamen wat het over en uit met de eigen identiteit van het joodse volk. Moge de Eeuwige dat verhoeden! Hun ouders hadden een ander beeld van God en een ander mensbeeld en een andere visie op rechtvaardigheid dat de Babyloniërs. Maar hoe kun je die visie overeind houden als je zelf mentaal helemaal aan de grond zit?

Er is toen iets gebeurd dat de mensen achteraf als een geschenk van God zagen. Een openbaring, een liefdesgebaar, een teken van hoop. Te midden van het volk kwam een eigen verhaal tot stand, een eigen verhaal over oorsprong en identiteit. Op alle vragen had dat verhaal een antwoord. Geen rationeel antwoord, want dat kon niemand geven. Het is een antwoord op het niveau van de ziel, van de verbeelding van de relatie met jezelf, met je omgeving en met God. Het is een mythe. Een mythe is geen sprookje dat je zelf bedenkt; een mythe is een samenhangend verhaal dat in het volk opwelt als het met alle kracht een antwoord zoekt op de grote levensvragen. Harde tegenstellingen en feiten worden niet ontkend. Ze worden opgenomen in een overkoepelend en overtuigend verhaal dat hoop geeft. Zo werkt een religieuze mythe.

Marcus 5Hoe is de scheppingsmythe? God wil het goede, God wil het leven, het paradijs is bedoeld voor altijd. Maar er is ook het kwaad, de duivel, de afgunst. De mensen leven tussen die twee krachten, tussen goed en kwaad, tussen liefde en haat. De eerste mensen hebben toegegeven aan de verleiding; daarmee hebben zij hun onschuld verloren; hun leven zal nooit meer zijn zoals eerst. Er zal pijn zijn, bloed, zweet en tranen, en ook de dood is onafwendbaar. Met dat alles moet de mens zich verzoeken. Want het is de realiteit waarin je leeft. Maar wat houdt je als je aan de grond zit op de been? Dat is de belofte van de Schepper dat hij de nazaten van Adam en Eva nooit in de steek zal laten. God wil het leven. God bezielt de mensen blijvend met gevoel voor rechtvaardigheid en moed.

Het evangelie van vandaag is er een treffend voorbeeld van. Jairus en de bloedvloeiende vrouw houden moet, ook al is hun toestand verschrikkelijk. Zij zoeken hun toevlucht bij Jezus, bij God. God wil leven, de Eeuwige wil genezing en verzoening, toekomst! En er komt een nieuwe toekomst, voor het dochtertje van Jairus, dat ten dode was opgeschreven. Er komt toekomst voor de vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen leed. Jezus, de Eeuwige raakt hen aan, geneest hen, wekt hen op. Moge de kracht van dit verhaal ook ons bereiken als wij door de toestand van onszelf of van onze omgeving alle moed dreigen te verliezen.
© 3eenheidparochie 2012 - 2018          --- Disclaimer ---       --- Privacy verklaring --- ↑ Top